Vragen? Bel +31 (0) 30 602 16 17

Het kabinet moet met de aanpak van schijnconstructies bij zelfstandige ondernemers rekening houden met zzp'ers in het hbo

9 mei 2014

Geachte heren Asscher, Kamp, Wiebes en mevrouw Bussemaker,

In de brief van 23 april 2014 betreffende Aanpak schijnzelfstandigheid (uw kenmerk DB/2014/193U, ondertekend door Asscher, Kamp, Wiebes en Van Rijn) staat dat een fatsoenlijke en rechtvaardige arbeidsmarkt een belangrijke uitgangswaarde is voor het kabinet. Als werkgeversvereniging van de hogescholen zijn we het geheel met het kabinet eens. Tevens geeft de brief aan dat kabinet en sociale partners hebben afgesproken flexwerk en vaste contracten dichter bij elkaar te brengen en dat schijnconstructies zullen worden aangepakt. Ook de vereniging is tegen schijnconstructies. Wie een structureel klein of groot dienstverband heeft, behoort een (tijdelijk) arbeidscontract te hebben. Daarover geen misverstand.

Om schijnzelfstandigheid tegen te gaan, zijn maatregelen aangekondigd waaronder de introductie van een VAR-webmodule per 1 januari 2015. Momenteel is de Vereniging Hogescholen, samen met de MBO-raad en VSNU, in constructief overleg met de Belastingdienst over de aangekondigde veranderingen en de consequenties daarvan voor de inzet van zzp’ers in het onderwijs. Centraal staan de vragen: Wanneer wordt er als zelfstandige gewerkt, wanneer is er sprake van werknemerschap en wanneer is er sprake van schijnzelfstandigheid? Waar liggen de grenzen? Ondanks dat dit gesprek nog gaande is, maken wij ons ernstig zorgen dat het aanpakken van schijnzelfstandigheid ten koste kan gaan van zelfstandigen die gewoon hun werk in het hbo doen. Voor het opleiden van beroepsprofessionals waar de samenleving nu en in de toekomst dringend behoefte aan heeft, zijn deze zelfstandigen – als aanvulling op het reguliere docentencorps – van zeer groot belang.

Laat duidelijk zijn dat de hogescholen schijnzelfstandigheid klip en klaar afwijzen. Het hbo maakt echter wel degelijk gebruik van ’echte’ zelfstandigen. Het zijn vakspecialisten in een bepaald beroep waar het hbo voor opleidt. Denk aan een kunstenaar, een journalist of een gameontwikkelaar die als professional zijn of haar specifieke beroepskennis toevoegt aan datgene wat het reguliere docentenkorps aan kennis overbrengt op de studenten. Deze professionals vullen een beperkt aantal uren per jaar naar eigen inzicht in. Deze kennis is van onschatbare waarde voor de kwaliteit van het hoger beroepsonderwijs. Graag maken wij u deelgenoot van het relaas van één van de vakspecialisten die zijn expertise, tot grote tevredenheid van de studenten, inbrengt in het hoger beroepsonderwijs:

“Het gehele lesprogramma is door mij ontwikkeld en steeds aangepast aan de actualiteit. Het lesgeven is dan ook geheel vanuit mijn eigen visie. Mijn andere opdrachtgevers zijn heel divers. Van de bakker op de hoek tot grote bedrijven. Mijn vakgebied is heel specialistisch en ik word ook vaak gevraagd door advocaten en accountants. Ik ben al bijna 19 jaar zelfstandig en vind dit een heerlijke combinatie met het onderwijs. De combinatie met het bedrijfsleven is geweldig voor de studenten. Bij elke wet die ik uitleg kan ik meerdere voorbeelden uit de praktijk vertellen. Tevens kan ik de studenten gericht vragen/ helpen met casussen uit het werkveld. Het delen van ervaringen is onderdeel van mijn lessen. Vaak zijn er dan ook levendige discussies. Daarbij komt dat ik iedere dag bezig ben om mijn wetskennis actueel te houden. Ik zal wel moeten, omdat ik verantwoordelijk ben voor dit stukje beleid bij mijn klanten.”

Het overleg met de Belastingdienst is erop gericht typerende arbeidsrelaties in het onderwijs fiscaal te duiden. Beoogd wordt het resultaat hiervan vast te leggen in een sectorconvenant, waaraan onderwijsinstellingen zekerheid kunnen ontlenen als het gaat om de manier waarop de Belastingdienst bepaalde arbeidsrelaties kwalificeert. Op dit moment beraadt de Belastingdienst zich op de uit de praktijk aangedragen arbeidsrelaties. De Vereniging Hogescholen heeft in het overleg met de Belastingdienst duidelijk gemaakt dat zelfstandige beroepsbeoefenaren die met hun expertise en/of reputatie de kwaliteit van het onderwijs verhogen in onze optiek te kwalificeren zouden moeten zijn als zelfstandig ondernemer, wanneer zij hun deskundigheid op een door henzelf te bepalen wijze inbrengen in de opleiding, hun hoofdinkomen buiten het onderwijs ligt en zij slechts voor een klein deel van hun tijd werkzaam zijn in het onderwijs.

Niettemin is de Belastingdienst gehouden aan een strikt formeel-juridische beoordeling van de arbeidsrelatie. Het is zeker niet uitgesloten dat de Belastingdienst op deze gronden zal (moeten) concluderen dat docent-beroepsbeoefenaren niet te kwalificeren zijn als zelfstandig ondernemer. Op dat moment zal een niet onbelangrijk deel van de zelfstandigen zich van het lesgeven afkeren. Voor deze architecten, maar ook artsen, fysiotherapeuten, advocaten, accountants, is het lesgeven niet meer dan een kleine, bijkomende taak. Het lesgeven zien ze, net als hun andere activiteiten, als onderdeel van hun beroepspraktijk. Als ondernemer zijn ze niet geïnteresseerd in cao-gerelateerde rechten en plichten en geven ze er de voorkeur aan hun werkzaamheden vrij en zelfstandig te verrichten vanuit de eigen beroepspraktijk. Als ‘expert van buiten’ richten ze hun lessen met grote mate van vrijheid in. Wanneer zij niet langer kunnen lesgeven vanuit de positie van zelfstandig ondernemerschap, moet gevreesd worden dat ze opdrachten buiten het onderwijs verkiezen boven opdrachten binnen het onderwijs.

Het formeel-juridische kader van de Belastingdienst dreigt voorbij te gaan aan de realiteit van hogescholen, waarbij studenten goed onderwijs vragen, onderwijsinstellingen daarvoor gebruik willen maken van actuele kennis uit de praktijk en zelfstandigen hun kennis graag vanuit ondernemerschap willen overdragen.

Onderwijs verzorgd door professionals uit de praktijk heeft een enorme toegevoegde waarde. Dit belang mag nooit ondergeschikt zijn aan strikte hantering van een formeel-juridisch kader. In het belang van de kwaliteit van het onderwijs hopen wij dat u in uw wet- en regelgeving met de specifieke positie van deze groep ‘docenten’ rekening wilt houden.


Het bestuur,
mr. Thom de Graaf,

drs. Ad de Graaf,
voorzitter secretaris
c.c.: Kamerleden van de Vaste Kamercommissie voor Financiën
Kamerleden van de Vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap