Freelancers, zzp'ers en interim managers in de media en politiek. Een historisch overzicht.

Freelancers, zzp'ers en interim managers in de media en politiek. Een historisch overzicht.

De uitzending van Werkverkenners staat deze week in het teken van de ‘flex-pioniers’. De ondernemers achter de verschillende vormen van flex-arbeid zoals we die in Nederland kennen. Randstand grondlegger Frits Goldschmeding is wereldwijd een pionier als het gaat om uitzendarbeid. “Interim-management” is een Nederlandse uitvinding. En ook in andere contractvormen zijn we in Nederland op zijn minst creatief te noemen.

Maar hoe zit het eigenlijk met de geschiedenis van termen als zzp, freelancer en interim-managers? Daarvoor dook ik eens in oude kranten en in de handelingen van de Tweede Kamer.  

Free lancer

De uitvinding van de term free lancer – los geschreven – wordt toegedicht aan Sir Walter Scott. Hij gebruikte het in zijn roman Ivanhoe uit 1819.

De term duikt in 1914 voor het eerst op in een Nederlandse krant. Het ‘Algemeen Handelsblad’ schrijft “aldus biedt een “free lance”, een los werkman onder de journalisten, zijn producten, zijn koopwaar aan.” De eerste verwijzing is dus naar journalisten, een beroepsgroep waar (weer) veel zelfstandigen actief zijn.  

Tien jaar later komt de term veelvuldig terug in een berichtgeving over een destijds ‘geruchtmatig proces’ over een klap die Jonkheer jhr. R.F. Groeninx van Zoelen aan de heer Van Blankestein uitdeelde. Aanleiding was een uit de hand gelopen polemiek. Bij de in de media breed uitgemeten rechtszaak wordt ter verdediging ingebracht dat Groeninx (hij wordt later omschreven als een ‘obscuur pamflettist ter rechter zijde’ en wordt in de jaren dertig de leider van de ‘Algemeene Nederlandsche Fascisten Bond’) , “zelfstandig werkt, zonder aan een basale courant verbonden te zijn. Hij is een zg. „freelance", die niet, gelijk de heer v. Blankenstein, een perstrust achter zich heeft.”

Eind jaren twintig duikt de term ook op in verhalen over ‘Hollywood’ en auteurs die zich hebben vrijgevochten van hun vaste contracten bij de grote studio’s . Destijds was het nog gebruikelijk dat acteurs in vaste dienst waren. In de Sumatra Post wordt de term free lance nog even uitgelegd: ‘Welk woord zoowel in de filmwereld als in de journalistiek beteekent dat men niet vastverbonden is aan eenigerlei onderneming, doch den hoogstbiedenden tijdelijk dient”

In 1939 heeft de Telegraaf  het over freelance piloten. Aardig is ook nog een groot artikel in  “De Nederlandsche journalist / maandblad van het verbond van Nederlandsche journalisten” met als titel “Vrijschutter of Vrijman’ uit 1941. Over een onvrije pers in die tijd wordt overigens niet gerept. De spatie tussen free en lance lijkt dan definitief verdwenen.

Interim manager

Nederland mag zich de ‘uitvinder’ van de term interim-management noemen. De tijdelijke manager gespecialiseerd in veranderopdrachten. Die term doemt voor het eerst op in het Limburgsch dagblad van 1 augustus 1980. Daarin wordt verwezen naar een ‘ad interim-manager’ die een opdracht doet bij een hartkliniek in de problemen. In hetzelfde jaar schrijft het Nederland Dagblad dat de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij ziet dat bedrijven behoefte hebben aan interim-management. “Er zijn wel commerciële bureaus die zich daar mee bezig houden, maar die zijn vrijwel allemaal in de Randstad Holland [mooie term, red.] of Centraal-Nederland gevestigd” zo legt iemand van de NOM uit. De dienstverlening interim-management bestaat dan dus blijkbaar al een tijdje.

In november 1982 mogen twee interim-managers van Twijnstra & Gudde in het NRC uitgebreid uitleggen wat interim-management nu eigenlijk is. Het artikel krijgt de kop “Tijdelijk management vervult EHBO functie.” Een interim-manager zegt dat ‘door gebrek aan deskundigheid en souplesse de behoeft bij de overheid groot is”.

Zelfstandige zonder personeel

“De zelfstandige ondernemers gaan terug in getal, en het reuzeleger der bezitloze, afhankelijke, ondergeschikte werkers neemt toe. En de opruiming die zij – grote ondernemers –  houdt onder de werkelijk onafhankelijke ondernemers is nog veel grondiger dan uit deze cijfers te zien valt.   Er zijn veel ondergeschikten bijgekomen. Hoe lang zullen de 78% niet-zelfstandigen blijven gehoorzamen en zich laten uitbuiten.”

Frank van der Goes maakt zich in een groot artikel in 1909, vol cijfermatige onderbouw, flink zorgen over de toename van het aantal ‘niet-zelfstandigen’. Van der Goes zou later de socialistische SDAP oprichten. Dat zelfstandigen gedwongen werden om in loondienst te gaan, dat vond hij maar niets.

De eerste keer dat we de term ‘zelfstandigen zonder personeel’ in de krant zien verschijnen is in april 1930. De Haagse Courant bericht over 190.000 zelfstandigen zonder personeel die “met den totalen ondergang bedreigd worden” door de nieuwe Winkelsluitingsweg. We hebben het hier over de groep die het CBS nu de ‘klassieke zzp’ noemt: zij die producten verkopen in plaats van diensten of hun eigen uren. Anno 2020 is ongeveer één op de vijf zzp’ers zo’n klassieke zzp’er.

De nieuwe zzp’er duikt in 1967 op in de kranten. In het Nieuwsblad van het Noorden stelt een briefschrijver de vraag : “Ik werk als zelfstandige zonder personeel. Nu ben ik ziek geweest en mag ongeveer acht maanden niet werken. Zodat ik dan ook niets verdien. Heb ik nu ook recht op een uitkering?”

De Volkskrant van 21 december 1985 bericht over “Zelfstandige zonder personeel krijgt geen belastingverlaging.” Staatssecretaris van Zeil ziet een plan daarvoor van het CDA en de VVD en dat op een Kamermeerderheid kan steunen, niet zitten. Deze oproep zou een paar jaar later leiden tot de voorganger van de zelfstandigenaftrek.

In 1989 legt een woordvoerder van de werkgeversorganisatie NCOV (een van de voorgangers van MKB Nederland) in Trouw uit dat het er door de belastinghervorming (‘Operatie Oort’) voor de zelfstandige zonder personeel niet eenvoudiger op wordt.  Het uit elkaar trekken van privé en zakelijke kosten, is ‘lastige stof’.

Echt in het nieuws komt het begrip zzp’ers begin jaren negentig. Ina Kuiper heeft dan in Harlingen ‘De Vrije Arbeider’ opgericht. ‘De idealiste’, zoals ze genoemd wordt in een artikel in de Leeuwaarder Courant van 24 februari 1992, wil zzp-bouwvakkers helpen. “ZZP’ers staan als harde werkers bekend. Het is dé oplossing voor vaklieden die het slecht bij een vaste baas kunnen vinden.” Maar ze stuit op veel onwil en bureaucratie. Klaas Wagenaar komt aan het woord. Hij heeft een ZZP-verklaring aangevraagd bij het Fonds Bouwnijverheid, maar moet daar nog steeds op wachten. “Alleen met zo’n verklaring weet een aannemer dat Wagenaar zelfstandig zijn beroep uitoefent en dat hij voor hem geen sociale premies hoeft te betalen.” Op de VAR moesten we tot 2001 wachten.

Het is ook de eerste keer dat de afkorting zzp in de redactionele kolommen verschijnt. Iets eerder zie je ze wel in kleine advertenties (afkortingen zijn goedkoop) in de Telegraaf waar onder andere timmerlieden zich aanbieden.

ZZP’ers die betrokken zijn bij ‘De Vrije Arbeider’ worden later dat jaar door de ‘economisch politierechter’ veroordeeld omdat ze niet de juiste vergunningen hebben.

Tweede Kamer

Ook in de Tweede Kamer wordt rond die tijd voor het eerst de term zzp’er gebruikt en wel bij de bespreking van de arbeidsomstandigheden wet. De SP wijst naar de aanwezigheid van zzp’ers in de bouw.

Rond de eeuwwisseling komt de term zzp’er nadrukkelijker in beeld en wordt zichtbaar dat het om meer dan alleen bouwvakkers gaat. Het markeert ook het startpunt van het zzp-debat zoals we die nu kennen en die nog steeds niet afgerond is.

In 2000 constateert een werkgroep «Harmonisatie Ondernemers- en Zelfstandigenbegrip, onder leiding van Prof Leo Stevens, dat “de toegenomen diversiteit aan arbeidsrelaties en vormen van zelfstandig ondernemerschap ertoe heeft geleid dat het steeds moeilijker wordt om in weten regelgeving een scherpe scheidslijn te trekken tussen werknemers en zelfstandige ondernemers.”  Staatssecretaris Wouter Bos schijft aan de Kamer dat hij het (met twee collega bewindslieden) eens is met de conclusie dat onduidelijkheid over de arbeidsrelatie(…) kan leiden tot verstoring van concurrentieverhoudingen, tot gemist ondernemerschap doordat opdrachtgevers terughoudend zijn met het verstrekken van opdrachten aan met name zelfstandigen zonder personeel.” Het zou gaan leiden tot de VAR.

Een jaar eerder komt het Kabinet onder leiding van PvdA’er Wim Kok met de nota “De ondernemende samenleving: meer kansen, minder belemmeringen voor ondernemerschap.”  Daarin wordt onder andere geconstateerd dat het aantal startende ondernemers in Nederland achterblijft: “Weliswaar is het aantal ondernemers de laatste jaren toegenomen, maar dit geldt in mindere mate als dit gerelateerd wordt aan de groei van de beroepsbevolking. Zo was het aantal ondernemers als percentage van de beroepsbevolking pas in 1996 weer op het niveau van 1972. Nederland loopt daarmee achter op het gemiddelde van de Europese Unie en de Verenigde Staten.”

Een interessante paragraaf wordt gewijd aan het fenomeen zzp:

Eén van de verschijningsvormen van ondernemerschap die de laatste jaren in de belangstelling staat, is die van de zelfstandige zonder personeel . Vooral in sectoren als de bouw zijn er relatief veel ZZP-ers te vinden.

De toename van het aantal ZZP-ers stuit wel op kritische kanttekeningen. Zo wordt wel de vrees uitgesproken dat de toename van het aantal ZZP-ers concurrentievervalsend werkt doordat ZZP-ers aan minder financiële verplichtingen gebonden zouden zijn. Bovendien wordt wel gevreesd voor het ontstaan van een tweedeling doordat aangenomen wordt dat het vooral jonge, gezonde werknemers zijn die zelfstandig zullen worden. Eén en ander zou een grote druk leggen op sociale premies en uitkeringen. Daarnaast zorgen de verschillende interpretaties van het ondernemersbegrip bij diverse instanties voor veel onduidelijkheid. Bij dit alles moet echter bedacht worden dat de toename van het aantal ZZP-ers vaak het gevolg is van de toegenomen maatschappelijke waardering voor het ondernemerschap.

Bovendien beantwoorden ZZP-ers door hun grote flexibiliteit aan de behoefte van opdrachtgevers aan een slagvaardiger bedrijfsvoering. Ook lijkt de vrees voor een tweedeling in leeftijd vooralsnog niet gegrond. Zo start 75 procent van de ZZP-ers op een leeftijd van 35 jaar of ouder. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of deze vrees gerechtvaardigd is. Dit geldt eveneens voor de vermeende concurrentievervalsing.”

Tweedeling, druk op sociale premies, concurrentievervalsing, verschillende interpretaties ondernemersbegrip, maatschappelijke waardering voor het ondernemerschap, behoefte aan flexibiliteit. Een rijtje begrippen uit een nota uit 1999. We gaan ze allemaal weer teruglezen in het Rapport van de Commissie Borstlap dat donderdag uitkomt.